De evolutie van de vogel

 

Evolutie

Alle vogels stammen vermoedelijk af van een oervogel genaamd Archaeopterix. Dit reptielachtige dier ter grootte van een kraai leefde in het Jura tijdperk.

Archaeopterix was een zwever, nog geen vlieger, maar hij was het eerste dier met veren. Het bezit van veren, en niet het vermogen tot vliegen (sommige soorten kunnen dit immers niet) is dan ook het hoofdkenmerk van de klasse Vogels (Aves). Verschillende vogelsoorten ontstonden door de verschillende niches die zij in de natuur in namen. Waadvogels kregen bijvoorbeeld lange benen en een snavel die erg gevoelig was voor bewegingen van kleine dieren in de modder, roofvogels kregen scherpere klauwen. Zo ontstonden de verschillende vogelorden met  meer dan  8600 verschillende soorten.  Er zijn nu 34 orden, waarvan de Zangvogels (Passeridae) de grootste groep vormen. Hiertoe behoren bijvoorbeeld de Lijsters, maar ook de Kraaiachtigen. 

 

 

impressie van Archaeopterix.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Van binnen en buiten gebouwd op vliegen.

 

Het hele lichaam van de vogel is zowel inwendig als uitwendig (gestroomlijnde vorm) gebouwd op efficiënt vliegen. Vogelbotten zijn in tegenstelling tot zoogdierbotten niet compact, maar  hol met kleine dwarsverbindingen. Tanden, die relatief veel wegen, zijn in de vogelevolutie vervangen door een snavel van hoorn. Die lijkt soms zwaar zoals de bovenmaatse snavel van de toekan, maar door een inwendige honingraatachtige structuur met holtes wordt gewicht bespaard. Zaadetende vogels slikken steentjes in die in de maag het voedsel helpen vermalen. Vleeseters ontdoen zich zo snel mogelijk van zware prooideeltjes door braakballen te produceren. Vogels hebben geen blaas. Een met vocht gevulde holte zou het vogellichaam relatief zwaar maken.  De urine komt als kleverige witte stof (ureum) samen met de ontlasting door de cloaca (opening voor zowel ontlasting als urine) naar buiten. Omdat vliegen uiterst behendige coördinatie vereist is het deel in de hersenen dat voor coördinatie van de bewegingen zorgt (cerebellum) bij vogels zeer goed ontwikkeld.

Vliegen vraagt ook extra zuurstof. Daarom zijn de longen van vogels uitgebreid met luchtzakken. Lucht gaat via de longen naar de luchtzakken en dan weer door de longen naar buiten. Dit zorgt voor een grotere zuurstofopname.

 

Veren

 

Waarom hebben Vogels veren? Ze zijn niet noodzakelijk om te vliegen want ook  vleermuizen met hun behaarde huid kunnen vliegen. Vogels zijn wel efficiëntere vliegers. Veren zijn licht en zorgen voor een groot en sterk vliegoppervlak. Bovendien zijn vleugels van veren minder kwetsbaar voor beschadiging dan vliesachtige vleugels, zoals van vleermuizen. 

Vogelveren ontstaan uit speciale papillen die per jaar 1 a 3 veren kunnen produceren. De veer bestaat uit een schacht die hol is en bloedvaten bevat die voor de voeding zorgen. Aan weerszijden van de schacht zitten honderden baardjes die als een rits in elkaar haken. Dit zorgt ervoor dat de lucht langs de veren stroomt en niet er doorheen, zodat de vogel adequaat kan vliegen. Het lijkt alsof vogels helemaal bedekt zijn met veren, maar de veren groeien alleen op speciale plekken, veervelden of pterylae. Het totale gewicht van veren van een vogel kan groter zijn dan dat van zijn geraamte. Wie wel eens een dode uil oppakte, zal verbaasd zijn over het relatief kleine lijf in dat dikke verenpak. Een vogel heeft verschillende veertypen. Donsveertjes houden het lichaam warm, dekveren maken de vogel waterafstotend, slag- en stuurpennen zorgen voor navigatie. Door een vetklier aan de stuit houden de vogels hun verenkleed waterafstotend. Papegaaiachtigen gebruiken hiervoor hun donsveren, die afbreken tot een natuurlijk talkpoeder.

Vogelveren ontlenen hun kleuren aan uiteenlopende dingen. Pigmentkleuren ontstaan door natuurlijke kleurstof in het lijf van de vogel. Het meest voorkomende pigment is melanine dat veren bruin of zwart kleurt. Sommige vogels halen hun kleur uit hun voedsel. Flamingos zijn roze door de garnalen die ze eten. Structuurkleuren ontstaan door een speciale bouw van de veer, zoals een laagje keratine of kleine met lucht gevulde holten in de veerbaardjes. Bij bepaalde lichtval levert dit metaalachtige glanzende kleuren op, zoals de blauwe gloed op de nek van een Stadsduif. Sommige vogels hebben speciale veeraanpassingen. De veren van Uilen hebben aan de randen een zachte franje, waardoor de vogels geheel geluidloos kunnen vliegen.